noun
boot, schip, vaartuig
B1
Boot (das) betekent „boot” of „vaartuig”, meestal een kleine tot middelgrote waterfiets/vaartuig. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Boot, meervoud Boote. Regelmatige verbuiging zonder onregelmatig meervoud. Veel gebruikt in alledaagse en nautische context.
Voorbeelden
Die Touristen fuhren mit dem Boot zum Inselhafen, obwohl der Kapitän vor starken Winden warnte.
De toeristen voeren met de boot naar de eilandhaven, hoewel de kapitein waarschuwde voor harde wind.
Das Boot liegt am Hafen.
De boot ligt in de haven.
Wir haben uns ein Boot gemietet, um auf dem See zu fahren.
We hebben een boot gehuurd om op het meer te varen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kleine houten boot voor die in de haven drijft.
Boot is identiek aan het Engelse woord «boot» — denk aan een klein vaartuig «boat/boot».
Das Boot — onthoud de beroemde filmtitel «Das Boot» om het onzijdige lidwoord te herinneren.
Opmerkingen
Onzijdig zelfstandig naamwoord. De filmtitel «Das Boot» is een handig cultureel anker om het lidwoord te onthouden.