noun
motorfiets, motor
B1
Motorrad is een onzijdig zelfstandig naamwoord en betekent „motorfiets” of „motor”. Meervoud: Motorräder, met umlaut en -er. Verbuiging: das Motorrad, des Motorrads, den Motorrädern. Veelgebruikt in het dagelijks taalgebruik en vaak in samenstellingen zoals Motorradhelm.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Im Sommer fahre ich gerne mit dem Motorrad durch die Landschaft.
In de zomer rijd ik graag met mijn motor door het platteland.
Er hat sein neues Motorrad am Wochenende ausprobiert.
Hij heeft zijn nieuwe motorfiets in het weekend uitgeprobeerd.
Der Mechaniker kaufte Ersatzteile für das Motorrad, damit die Fahrt am Wochenende stattfinden konnte.
De monteur kocht reserveonderdelen voor de motor, zodat de rit in het weekend kon doorgaan.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een brullende motorfiets voor met het label «das Motorrad», geparkeerd langs de weg.
Motorrad klinkt als «motor» + «rad» (wiel) — motor-wiel = motorfiets.
das — stel je een neutraal kenteken voor met «das» erop gestempeld.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Het meervoud is «Motorräder». Als je het hebt over rijden, gebruik je vaak werkwoorden zoals «fahren» met «Motorrad».