verb
flitsen, schitteren, bliksemen
B1
blitzen: zwak werkwoord met de betekenis ‘flitsen’, ‘oplichten’ of ‘bliksemen’, vooral bij onweer of een camera-flits. Voltooid deelwoord: geblitzt; perfect met haben. Vaak onpersoonlijk: Es blitzt. Ook voor plots licht.
Voorbeelden
Es blitzt am Himmel.
Er is bliksem in de lucht.
In der Nacht begann es zu blitzen und Donner zu rollen.
’s Nachts begon het te bliksemen en rolde de donder.
Während es draußen heftig blitzte, suchten die Spaziergänger Schutz unter einer Brücke.
Terwijl het buiten hevig bliksemde, zochten de wandelaars beschutting onder een brug.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een cameraflits of een bliksemschicht voor die door de lucht schiet.
Denk aan «blitz» + «en» — als een plotselinge flits.
Opmerkingen
Meestal onovergankelijk (het flitst). Voor een cameraflits gebruik je hetzelfde werkwoord; in de voltooide tijd gebruik je «haben». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.