blitzen

verb
flitsen, schitteren, bliksemen
B1

blitzen: zwak werkwoord met de betekenis ‘flitsen’, ‘oplichten’ of ‘bliksemen’, vooral bij onweer of een camera-flits. Voltooid deelwoord: geblitzt; perfect met haben. Vaak onpersoonlijk: Es blitzt. Ook voor plots licht.

Voorbeelden

Es blitzt am Himmel.
Er is bliksem in de lucht.
In der Nacht begann es zu blitzen und Donner zu rollen.
’s Nachts begon het te bliksemen en rolde de donder.
Während es draußen heftig blitzte, suchten die Spaziergänger Schutz unter einer Brücke.
Terwijl het buiten hevig bliksemde, zochten de wandelaars beschutting onder een brug.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak
Stamveranderingennone

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es blitzt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es blitzte
Perfekter/sie/es hat geblitzt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een cameraflits of een bliksemschicht voor die door de lucht schiet.
👂Denk aan «blitz» + «en» — als een plotselinge flits.

Opmerkingen

Meestal onovergankelijk (het flitst). Voor een cameraflits gebruik je hetzelfde werkwoord; in de voltooide tijd gebruik je «haben». | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichblitze
dublitzt
er/sie/esblitzt
wirblitzen
ihrblitzt
sie/Sieblitzen
ichblitze
dublitzest
er/sie/esblitze
wirblitzen
ihrblitzet
sie/Sieblitzen
ichwürde blitzen
duwürdest blitzen
er/sie/eswürde blitzen
wirwürden blitzen
ihrwürdet blitzen
sie/Siewürden blitzen
dublitz!
ihrblitzt!
SieBlitzen!