noun
blik, kijk, uitzicht
A1
Blick is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent “blik, oogopslag”, maar ook “uitzicht” of “perspectief”. Meervoud: die Blicke. Handige uitdrukkingen: einen Blick werfen auf = een blik werpen op; etwas im Blick haben = iets in het oog houden.
Voorbeelden
Sie betrachtete das Meer mit aufmerksamem Blick, während die Sonne unterging.
Ze keek met aandachtige blik naar de zee terwijl de zon onderging.
Von hier hat man einen schönen Blick.
Vanaf hier heb je een mooi uitzicht.
Ich werfe einen kurzen Blick auf das Buch.
Ik werp een snelle blik op het boek.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die even snel uit het raam kijkt (der Blick).
blick ~ als «quick look» — onthoud «blik / uitzicht».
der — stel je een man (der) voor die een blik werpt.
Opmerkingen
Mannelijk zelfstandig naamwoord: der Blick. Meerdere betekenissen: korte blik en uitzicht.