adjective
blauw, dronken
A1
blau betekent vooral ‘blauw’. In de spreektaal kan het ook ‘dronken’ betekenen: er ist blau. Het is een gewoon bijvoeglijk naamwoord en wordt verbogen/vergelijkd: blauer, am blauesten. Gebruik attributief en predicatief. Let op de uitdrukking blau machen = spijbelen.
Voorbeelden
Das Hemd ist blau.
Het overhemd is blauw.
Nach der Party war er ziemlich blau.
Na het feest was hij behoorlijk dronken.
Das Auto war blau, weil es neu lackiert worden war, und deshalb fiel es sofort auf.
De auto was blauw omdat hij opnieuw was geverfd, en daarom viel hij meteen op.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een heldere blauwe lucht voor om de kleur te onthouden
rijmt op het Engelse ‘how’ maar begint met ‘bl’ zoals ‘blue’
n/v
Opmerkingen
Naast de kleurbetekenis betekent ‘blau’ in het Duits informeel ook ‘dronken’. De context bepaalt de betekenis.