adjective
wit
A1
weiß is het Duitse bijvoeglijk naamwoord voor ‘wit’. Het wordt verbogen naar geslacht, getal en naamval: weiße, weißes enz. Het is gradabel: comparatief weißer, superlatief am weißesten. Antoniem: schwarz. Niet verwarren met de werkwoordsvorm van wissen: er weiß.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Hemd ist weiß.
Het overhemd is wit.
Die Fassade wurde weiß gestrichen, nachdem die Schäden repariert worden waren, damit der Putz länger hielt.
De gevel werd wit geschilderd nadat de schade was hersteld, zodat het pleisterwerk langer zou meegaan.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een wit vel papier voor met het woord «weiß» erop gestempeld.
Klinkt als «vice» maar dan met een w — denk aan een «white vice»-beeld.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Basis-kleuradjectief. Spellingopmerking: «ß» wordt buiten Duitsland vaak als «ss» geschreven.