verb
verbranden, in brand steken, vergaan
B1
verbrennen is een regelmatig werkwoord: ‘verbranden’, ‘in brand steken’ of ‘zich branden’. Het kan transitief zijn (etwas verbrennen) of intransitief/resultatief (verbrennen). In de voltooide tijd vaak hebben bij transitief gebruik: hat verbrannt, en sein bij resultaat: ist verbrannt. Voltooid deelwoord: verbrannt.
Voorbeelden
Bei der Arbeit verbrannte er sich die Hand an der heißen Pfanne.
Op het werk brandde hij zijn hand aan de hete pan.
Die Gärtner verbrannten die gesammelten Zweige, nachdem der Sturm sie auf die Felder geweht hatte.
De tuiniers verbrandden de verzamelde takken nadat de storm ze op de velden had geblazen.
Das Feuer verbrannte alles.
Het vuur verbrandde alles.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je het woord ‘verb’ voor op een stuk papier dat plotseling vlam vat en ‘wegbrandt’.
Denk aan ‘verb’ + ‘burn’ — ‘verburn’ klinkt als ‘verbrennen’.
Opmerkingen
verbrennen kan zowel transitief zijn (iets verbranden) als intransitief (verbranden / verbrand raken). Afhankelijk van het gebruik wordt het voltooid deelwoord gevormd met haben (transitief: Er hat das Papier verbrannt) of sein (intransitief / toestand na het gebeuren: Das Essen ist verbrannt). Het voorvoegsel ver- is onscheidbaar. Veelvoorkomende verwarring: verbrennen (verbranden) vs. brennen (branden / in brand staan) — verbrennen impliceert vaak vernietiging door vuur.