verb
vastmaken, de gordel omdoen, zich vastgespen
B1
anschnallen is een scheidbaar werkwoord en betekent ‘de gordel vastmaken’ of ‘je vastgespen’. Meestal reflexief: sich anschnallen. Het is zwak en regelmatig: du schnallst an, Partizip II: angeschnallt. Perfectum met haben. Veel in veiligheidsinstructies.
Voorbeelden
Er schnallte sich an.
Hij deed zijn gordel om.
Im Flugzeug müssen alle Passagiere bei Start die Gurte anschnallen.
In het vliegtuig moeten alle passagiers tijdens het opstijgen hun gordel vastmaken.
Bitte schnall dich an, bevor das Auto losfährt.
Maak je gordel vast voordat de auto gaat rijden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een riem over je lichaam trekt en hem vastklikt in de gesp — «an» (aan) + «schnallen» (vastmaken).
Klinkt een beetje als «on-schnall» — zet het AAN en «schnall» (gesp vast).
Opmerkingen
«Anschnallen» wordt vaak wederkerig gebruikt («sich anschnallen»). Het is scheidbaar en regelmatig; het voltooid deelwoord is «angeschnallt».