verb
knutselen, prutsen
A2
basteln betekent knutselen of handwerk maken: kleine dingen zelf in elkaar zetten, vaak als hobby of met kinderen. Het is een regelmatig, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord. Perfekt met haben: hat gebastelt. Ook: basteln an + datief.
Voorbeelden
Wir haben viel gebastelt.
We hebben veel geknutseld.
Er bastelte ein Modellflugzeug.
Hij maakte een modelvliegtuig.
Die Kinder bastelten ein Geschenk, weil die Lehrerin eine kleine Feier organisiert hatte.
De kinderen maakten een cadeau omdat de lerares een klein feestje had georganiseerd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je kleine stukjes papier aan elkaar plakt aan een knutseltafel
denk aan «baste» als dingen met de hand maken — «basteln» = kleine knutselwerkjes maken
Opmerkingen
«basteln» is een regelmatig werkwoord dat betekent knutselen of aan kleine projecten prutsen. Het komt vaak voor in hobbycontexten.