basteln

verb
knutselen, prutsen
A2

basteln betekent knutselen of handwerk maken: kleine dingen zelf in elkaar zetten, vaak als hobby of met kinderen. Het is een regelmatig, niet-scheidbaar en niet-reflexief werkwoord. Perfekt met haben: hat gebastelt. Ook: basteln an + datief.

Voorbeelden

Wir haben viel gebastelt.
We hebben veel geknutseld.
Er bastelte ein Modellflugzeug.
Hij maakte een modelvliegtuig.
Die Kinder bastelten ein Geschenk, weil die Lehrerin eine kleine Feier organisiert hatte.
De kinderen maakten een cadeau omdat de lerares een klein feestje had georganiseerd.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es bastelt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es bastelte
Perfekter/sie/es hat gebastelt

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je voor dat je kleine stukjes papier aan elkaar plakt aan een knutseltafel
👂denk aan «baste» als dingen met de hand maken — «basteln» = kleine knutselwerkjes maken

Opmerkingen

«basteln» is een regelmatig werkwoord dat betekent knutselen of aan kleine projecten prutsen. Het komt vaak voor in hobbycontexten.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichbastle
dubastelst
er/sie/esbastelt
wirbasteln
ihrbastelt
sie/Siebasteln
ichwerde gebastelt
duwirst gebastelt
er/sie/eswird gebastelt
wirwerden gebastelt
ihrwerdet gebastelt
sie/Siewerden gebastelt
ichbastle
dubastelst
er/sie/esbastle
wirbasteln
ihrbastelt
sie/Siebasteln
ichwerde gebastelt
duwerdest gebastelt
er/sie/eswerde gebastelt
wirwerden gebastelt
ihrwerdet gebastelt
sie/Siewerden gebastelt
ichbastelte
dubasteltest
er/sie/esbastelte
wirbastelten
ihrbasteltet
sie/Siebastelten
ichwürde gebastelt
duwürdest gebastelt
er/sie/eswürde gebastelt
wirwürden gebastelt
ihrwürdet gebastelt
sie/Siewürden gebastelt
dubastle!
ihrbastelt!
Siebasteln!