baden

verb
baden, zich wassen, zwemmen
A1

baden is een regelmatig werkwoord en betekent ‘baden’ of, afhankelijk van de context, ‘zwemmen’. Partizip II: gebadet; hulpwerkwoord: haben. In deze betekenis is het niet wederkerig. Het vervoegt normaal en komt veel voor in het dagelijks taalgebruik.

Voorbeelden

Ich bade gern am Wochenende.
Ik neem graag in het weekend een bad.
Sie hat im Meer gebadet.
Ze heeft in de zee gezwommen.
Er badete im See.
Hij baadde in het meer.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak
Stamveranderingennone

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es badet
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es badete
Perfekter/sie/es hat gebadet

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die in een badkuip met het label « baden » glijdt en ontspant met bubbels.
👂Klinkt als « bad in » — stel je voor dat je in bad gaat, zelfs als het buiten « slecht » weer is.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichbade
dubadest
er/sie/esbadet
wirbaden
ihrbadet
sie/Siebaden
ichwerde gebadet
duwirst gebadet
er/sie/eswird gebadet
wirwerden gebadet
ihrwerdet gebadet
sie/Siewerden gebadet
ichbade
dubadest
er/sie/esbade
wirbaden
ihrbadet
sie/Siebaden
ichwerde gebadet
duwerdest gebadet
er/sie/eswerde gebadet
wirwerden gebadet
ihrwerdet gebadet
sie/Siewerden gebadet
ichbadete
dubadetest
er/sie/esbadete
wirbadeten
ihrbadetet
sie/Siebadeten
ichwürde gebadet
duwürdest gebadet
er/sie/eswürde gebadet
wirwürden gebadet
ihrwürdet gebadet
sie/Siewürden gebadet
dubade!
ihrbadet!
Siebaden!