verb
baden, zich wassen, zwemmen
A1
baden is een regelmatig werkwoord en betekent ‘baden’ of, afhankelijk van de context, ‘zwemmen’. Partizip II: gebadet; hulpwerkwoord: haben. In deze betekenis is het niet wederkerig. Het vervoegt normaal en komt veel voor in het dagelijks taalgebruik.
Voorbeelden
Ich bade gern am Wochenende.
Ik neem graag in het weekend een bad.
Sie hat im Meer gebadet.
Ze heeft in de zee gezwommen.
Er badete im See.
Hij baadde in het meer.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die in een badkuip met het label « baden » glijdt en ontspant met bubbels.
Klinkt als « bad in » — stel je voor dat je in bad gaat, zelfs als het buiten « slecht » weer is.