noun
station, treinstation, spoorwegstation
A1
Bahnhof betekent „treinstation” of „spoorwegstation”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Bahnhof; meervoud: die Bahnhöfe. Vaak zie je am Bahnhof voor plaats en zum Bahnhof voor beweging. Veelgebruikt in reis- en reisschema’s.
Voorbeelden
Der Bahnhof ist 10 Minuten von hier entfernt.
Het station is 10 minuten hiervandaan.
Wir treffen uns am Bahnhofsvorplatz.
We ontmoeten elkaar op het stationsplein.
Vor dem Bahnhof wartete ein Mann, weil sein Zug ausgefallen war.
Een man wachtte voor het station omdat zijn trein was geannuleerd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een groot bord ‘Bahnhof’ boven de stationsingang voor, met treinen erachter.
Klinkt een beetje als ‘bahn + hof (hof/erf)’ — denk aan het treinenterrein.
der — stel je een mannelijke stationschef voor (der Bahnhof).
Opmerkingen
In de genitief enkelvoud vaak: des Bahnhofs in alledaagse spraak.