noun
trein, spoorweg, spoor
A1
Bahn (de) betekent vooral ‘trein’ of ‘spoorweg’; die Bahn kan ook de Duitse spoorwegmaatschappij aanduiden. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Bahn, meervoud: die Bahnen. Veelgebruikte uitdrukking: mit der Bahn = met de trein. Regelmatige verbuiging, vaak in samenstellingen.
Voorbeelden
Ich fahre gern mit der Bahn.
Ik reis graag met de trein.
Die Bahn hat heute Verspätung.
De trein heeft vandaag vertraging.
Die Verspätung der Bahn ärgerte die Pendler sehr, sodass viele ihre Pläne änderten.
De vertraging van de trein ergerde de forenzen erg, waardoor velen hun plannen veranderden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je rails voor die een grote letter „B” vormen voor „Bahn”.
Klinkt als het Engelse „bahn” — stel je een „bahn”-bord op een treinstation voor.
vrouwelijk — stel je een vrouwelijke conducteur voor die op de spoorweg zwaait (die Bahn).
Opmerkingen
Bahn kan de trein zelf of het spoorwegsysteem betekenen. Wanneer het om een dienst/bedrijf gaat, zegt men ook „die Bahn” (bijv. Deutsche Bahn).