Bahn

noun
trein, spoorweg, spoor
A1

Bahn (de) betekent vooral ‘trein’ of ‘spoorweg’; die Bahn kan ook de Duitse spoorwegmaatschappij aanduiden. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Bahn, meervoud: die Bahnen. Veelgebruikte uitdrukking: mit der Bahn = met de trein. Regelmatige verbuiging, vaak in samenstellingen.

Voorbeelden

Ich fahre gern mit der Bahn.
Ik reis graag met de trein.
Die Bahn hat heute Verspätung.
De trein heeft vandaag vertraging.
Die Verspätung der Bahn ärgerte die Pendler sehr, sodass viele ihre Pläne änderten.
De vertraging van de trein ergerde de forenzen erg, waardoor velen hun plannen veranderden.

Details

MeervoudBahnen

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedie Bahndie Bahnen
genitiveder Bahnder Bahnen
dativeder Bahnden Bahnen
accusativedie Bahndie Bahnen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je rails voor die een grote letter „B” vormen voor „Bahn”.
👂Klinkt als het Engelse „bahn” — stel je een „bahn”-bord op een treinstation voor.
⚧️vrouwelijk — stel je een vrouwelijke conducteur voor die op de spoorweg zwaait (die Bahn).

Opmerkingen

Bahn kan de trein zelf of het spoorwegsysteem betekenen. Wanneer het om een dienst/bedrijf gaat, zegt men ook „die Bahn” (bijv. Deutsche Bahn).

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek