noun
uitspraak, articulatie
B1
Aussprache is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘uitspraak’ of ‘pronunciatie’. Het gaat om de manier waarop woorden worden uitgesproken. Meervoud: die Aussprachen. Veelgebruikt in taalonderwijs, bv. auf die Aussprache achten: op de uitspraak letten.
Voorbeelden
Er arbeitet an seiner Aussprache, damit man ihn besser versteht.
Hij werkt aan zijn uitspraak, zodat men hem beter begrijpt.
Deine Aussprache ist sehr klar und verständlich.
Je uitspraak is heel duidelijk en gemakkelijk te begrijpen.
Der Tutor übte die Aussprache mit den Studenten, damit sie die Fremdsprache besser sprechen konnten.
De tutor oefende de uitspraak met de studenten, zodat zij de vreemde taal beter konden spreken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die klanken zorgvuldig vormt — dat zorgvuldige vormen is ‘Aussprache’.
klinkt als ‘OHS-sprah-kuh’ — denk aan ‘aw-sprache’ = hoe je ‘hardop spreekt’
die — stel je een vrouwelijke lerares voor die ‘de uitspraak’ corrigeert (die Aussprache)
Opmerkingen
« Aussprache » (v.) verwijst naar uitspraak of de manier waarop iemand spreekt. Meervoud: Aussprachen.