noun
ingang
A1
Eingang (m., meervoud: Eingänge) betekent ‘ingang’, ‘toegang’ of figuurlijk ‘binnenkomst/invoer’. Mannelijk zelfstandig naamwoord met regelmatig meervoud en umlaut. Genitief: des Eingangs; datief meervoud: den Eingängen.
Voorbeelden
Der Eingang zum Museum ist links.
De ingang van het museum is links.
Der Besucher suchte den Eingang, weil die Türen verschlossen waren, nachdem die Veranstaltung begonnen hatte.
De bezoeker zocht de ingang, omdat de deuren op slot waren nadat het evenement was begonnen.
Der Eingang zum Museum befindet sich auf der anderen Straßenseite.
De ingang van het museum bevindt zich aan de andere kant van de straat.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een deur voor met «Eingang» erop en een pijl naar binnen.
Klinkt als «in-gang» — stel je een bende voor die een gebouw binnenkomt via de ingang.
der — stel je een mannelijke portier voor die de ingang bewaakt (der Eingang).