noun
route, traject, stuk
B1
Strecke (v., mv. Strecken) betekent „traject”, „stuk weg”, „afstand” of „parcours”. Dit vrouwelijke zelfstandig naamwoord wordt gebruikt voor een deel van een weg, spoorlijn of route, maar ook voor een afstand. Meervoud: Strecken. Veelgebruikt bij reizen, sport en metingen. Uitdrukking: auf der Strecke bleiben = achterblijven / buiten de boot vallen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Strecke von hier zum Bahnhof ist nicht weit.
De afstand van hier naar het station is niet ver.
Die Strecke nach Berlin ist sehr lang.
De route naar Berlijn is erg lang.
Die Bahn setzte Ersatzbusse ein, weil die Strecke wegen eines Unfalls gesperrt wurde.
De spoorweg zette vervangende bussen in omdat de lijn door een ongeluk was afgesloten.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een rechte lijn op een kaart voor die de route markeert
klinkt als ‘stretch’ — denk aan een stuk weg
Die Strecke — stel je een vrouwelijke bestuurder (die) voor die de route aanwijst
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
«Strecke» kan een route, een stuk weg of een afstand betekenen. De context bepaalt de nuance.