siezen

verb
u zeggen, met u aanspreken, formeel aanspreken
B1

siezen betekent iemand aanspreken met het formele voornaamwoord ‘Sie’, dus iemand met ‘u’ aanspreken, tegenover duzen. Het is een regelmatig zwak werkwoord: voltooid deelwoord gesiezt, perfectum met haben. Het is transitief en krijgt een lijdend voorwerp: jemanden siezen.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Direktor siezte die neuen Mitarbeiter, weil die Firma formalere Regeln hatte.
De directeur sprak de nieuwe medewerkers formeel aan, omdat het bedrijf formelere regels had.
Bitte siezen Sie die Professorin, bis sie Ihnen etwas anderes sagt.
Spreek de professor alstublieft formeel aan totdat zij u anders zegt.
Ich sieze meinen Chef.
Ik spreek mijn baas met u aan.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.YES
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEweak

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es siezt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es siezte
Perfekter/sie/es hat gesiezt

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je twee mensen voor die licht buigen terwijl ze «Guten Tag, Sie» zeggen om formele aanspreking te tonen.
👂Klinkt als «see-zen» — denk aan «see» + «zen» voor formele afstand.

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Wordt gebruikt om het gebruik van het formele tweede-persoonsvoornaamwoord «Sie» te beschrijven. Het tegenovergestelde is «duzen» («du» gebruiken). Veelvoorkomend in formele, professionele of onbekende sociale contexten.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichsieze
dusiezt
er/sie/essiezt
wirsiezen
ihrsiezt
sie/Siesiezen
ichwerde gesiezt
duwirst gesiezt
er/sie/eswird gesiezt
wirwerden gesiezt
ihrwerdet gesiezt
sie/Siewerden gesiezt
ichsieze
dusiezest
er/sie/essieze
wirsiezen
ihrsiezet
sie/Siesiezen
ichwerde gesiezt
duwerdest gesiezt
er/sie/eswerde gesiezt
wirwerden gesiezt
ihrwerdet gesiezt
sie/Siewerden gesiezt
ichsiezte
dusieztest
er/sie/essiezte
wirsiezten
ihrsiezte(t)
sie/Siesiezten
ichwürde gesiezt
duwürdest gesiezt
er/sie/eswürde gesiezt
wirwürden gesiezt
ihrwürdet gesiezt
sie/Siewürden gesiezt
dusieze!
ihrsiezt!
Siesiezen Sie!