noun
aansluiting, verbinding, overstap
A1
Anschluss betekent „aansluiting”, „verbinding” of in het vervoer een „aansluiting/overstap”. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord; meervoud: Anschlüsse. Vaak met an: Anschluss an etwas. Ook gebruikt voor technische aansluitingen, zoals telefoon of internet.
Voorbeelden
Hast du einen Internetanschluss zu Hause?
Heb je thuis een internetverbinding?
Der Anschluss nach München hat nur fünf Minuten Umsteigezeit.
De aansluiting naar München heeft maar vijf minuten overstaptijd.
Der Zug verpasste den Anschluss, weil er verspätet war.
De trein miste de aansluiting omdat hij vertraging had.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een stekker voor die wordt aangesloten — dat is een «Anschluss».
der = stel je een mannelijke technicus voor die de verbinding maakt.
Opmerkingen
Wordt zowel gebruikt voor technische verbindingen als voor aansluitingen in het openbaar vervoer/treinverkeer.