verb
aansluiten, verbinden, zich aansluiten
B1
anschließen betekent ‘aansluiten, verbinden’ en ook ‘zich aansluiten bij’. Het is een scheidbaar, sterk werkwoord: Perfekt met haben, voltooid deelwoord angeschlossen. In de tegenwoordige tijd is er klinkerwisseling: ich schließe an, du schließt an. Vaak met an + accusatief.
Voorbeelden
Kannst du den Drucker an den Computer anschließen?
Kun je de printer op de computer aansluiten?
Wir schließen das neue Glied an das bestehende Netzwerk an.
We sluiten het nieuwe onderdeel aan op het bestaande netwerk.
Lisa hat den Computer angeschlossen.
Lisa heeft de computer aangesloten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je een kabel in een stopcontact steekt en de kabel het circuit ‘sluit’ — anschließen = verbinden.
Klinkt als «vastmaken» / «a-clip» — stel je voor dat twee apparaten aan elkaar worden geklikt.
Opmerkingen
«Anschließen» is scheidbaar («schließe an») en onregelmatig (sterk): Präteritum «schloss an», Partizip «angeschlossen». Gebruikt «haben» als hulpwerkwoord.