allein

other
alleen, in zijn eentje
A1

allein betekent „alleen” of „op zichzelf”. Het kan als bijvoeglijk naamwoord of bijwoord worden gebruikt: Ich bin allein, Er lebt allein. Er hoort geen vaste prepositie bij en het is niet wederkerig. De informele variant alleine komt ook voor. In formelere taal kan het soms ook „slechts” betekenen.

Voorbeelden

Er lebt allein in der Stadt.
Hij woont alleen in de stad.
Die Frau blieb allein zu Hause, obwohl ihre Freunde mehrmals anriefen.
De vrouw bleef alleen thuis, hoewel haar vrienden meerdere keren belden.
Ich mache die Hausaufgaben allein.
Ik maak het huiswerk alleen.

Details

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je één persoon voor die op een lijn staat om «alleen» te onthouden
👂allein ~ ‘a-lane’ (alleen) om het solitaire gevoel te onthouden
⚧️n/v

Opmerkingen

De invoer had geen woordsoortlabel. «allein» wordt meestal gebruikt als bijvoeglijk naamwoord of bijwoord met de betekenis «alleen» of «in zijn eentje».

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek