adjective
actief
A2
aktiv is een bijvoeglijk naamwoord en betekent ‘actief’, ‘bezig’ of ‘betrokken’. Vergelijking: aktiver, am aktivsten. Veelvoorkomende tegenstellingen: passiv, inaktiv. Het wordt als een gewoon Duits adjectief verbogen.
Voorbeelden
Die Freiwilligen blieben aktiv, obwohl das Programm schwieriger war als erwartet.
De vrijwilligers bleven actief, hoewel het programma moeilijker was dan verwacht.
Er ist sehr aktiv und geht jeden Morgen joggen.
Hij is erg actief en gaat elke ochtend joggen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die jogt en actief is — het woord «aktiv» lijkt op het Engelse «active».
Opmerkingen
Vergelijkbaar bijvoeglijk naamwoord: kan vergrotende en overtreffende trap vormen. Vaak gebruikt in beschrijvingen van mensen en programma’s.