adjective
fit, in vorm
A2
fit is een informeel leenwoord uit het Engels en betekent „in vorm” of „fit”. Het is trapbaar: fitter, am fittesten. Je gebruikt het voor conditie, sport en gezondheid. Het klinkt modern en vooral spreektaalachtig.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Nach dem Training fühle ich mich wieder fit.
Na de training voel ik me weer fit.
Der Trainer lobte die Läufer, weil sie nach dem Training fit waren.
De trainer prees de hardlopers omdat ze na de training fit waren.
Ich bin jeden Morgen fit, weil ich jogge.
Ik ben elke ochtend fit omdat ik ga joggen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die jogt en er fit en gezond uitziet.
Hetzelfde als Engels 'fit' — identieke betekenis.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Wordt vaak op dezelfde manier gebruikt als in het Engels; informeel en veelvoorkomend in gesproken Duits.