vorlesen

verb
voorlezen, hardop voorlezen
B1

vorlesen is een scheidbaar sterk werkwoord en betekent ‘voorlezen’ of ‘hardop voorlezen aan iemand’. Perfekt: habe vorgelesen. In du/er verandert e → ie: du liest vor. Präteritum: las. Niet reflexief; vaak gebruikt bij verhalen en teksten.

Voorbeelden

Ich habe die Nachrichten vorgelesen.
Ik heb het nieuws voorgelezen.
Die Lehrerin liest das Gedicht laut vor.
De lerares leest het gedicht hardop voor.
Meine Mutter liest mir jeden Abend eine Geschichte vor.
Mijn moeder leest me elke avond een verhaal voor.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenStem vowel e -> ie in du/er forms (du liest, er liest); preterite 'las'; Partizip II 'vorgelesen'.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es liest vor
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es las vor
Perfekter/sie/es hat vorgelesen

Ezelsbruggetjes

👁️stel je iemand voor die voor de klas staat, een boek vasthoudt en de woorden met zijn stem naar voren duwt (het voorvoegsel «vor» als «forward»).
👂klinkt als «for lesson» (vor + lesen) — stel je voor dat je voor een les leest.

Opmerkingen

Vorlesen is een scheidbaar werkwoord (het voorvoegsel «vor-» scheidt in hoofdzin: «sie liest ... vor»). Het gebruikt «haben» als hulpwerkwoord in de voltooide tijden (hat vorgelesen). De stamklinker verandert van e naar ie in de du/er-vormen (du liest, er liest); de verleden tijd is «las» en het voltooid deelwoord is «vorgelesen».

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichlese vor
duliest vor
er/sie/esliest vor
wirlesen vor
ihrlest vor
sie/Sielesen vor
ichwerde vorgelesen
duwirst vorgelesen
er/sie/eswird vorgelesen
wirwerden vorgelesen
ihrwerdet vorgelesen
sie/Siewerden vorgelesen
ichlese vor
dulesest vor
er/sie/eslese vor
wirlesen vor
ihrleset vor
sie/Sielesen vor
ichwerde vorgelesen
duwerdest vorgelesen
er/sie/eswerde vorgelesen
wirwerden vorgelesen
ihrwerdet vorgelesen
sie/Siewerden vorgelesen
ichwürde vorlesen
duwürdest vorlesen
er/sie/eswürde vorlesen
wirwürden vorlesen
ihrwürdet vorlesen
sie/Siewürden vorlesen
ichwürde vorgelesen werden
duwürdest vorgelesen werden
er/sie/eswürde vorgelesen werden
wirwürden vorgelesen werden
ihrwürdet vorgelesen werden
sie/Siewürden vorgelesen werden
duLies vor!
ihrLest vor!
SieLesen vor!