verb
afhangen van, rondhangen, afnemen, weghalen
B1
abhängen: scheidbaar en onregelmatig werkwoord. Belangrijkste betekenissen: afhangen van + datief, informeel ‘hangen/ chillen met vrienden’, en iets fysiek afhangen of weghalen. Perfekt met haben; participia: abgehangen / abgehängt.
Voorbeelden
Nach der Schule hängen die Jugendlichen oft im Park ab.
Na school hangen de jongeren vaak rond in het park.
Es hing von der Stimmung ab.
Het hing af van de stemming.
Es hängt von deinem Termin ab, ob ich kommen kann.
Of ik kan komen, hangt af van je afspraak.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een poster voor die aan de muur hangt en óf ‘afhangt’ van een haak, óf tieners die tegen een muur leunen en ‘rondhangen’.
klinkt als ‘uh-bang-en’ — denk aan ‘uh, bang’ en dan ‘en’ om het ritme van ‘ab-’ + ‘hängen’ te onthouden
Opmerkingen
Dit scheidbare werkwoord heeft twee veelvoorkomende betekenissen: «abhängen von» = «afhangen van» en informeel «mit jemandem abhängen» = «rondhangen / optrekken met iemand». Er zijn ook twee deelwoordpatronen in gebruik: «abgehangen» (bij betekenissen zoals «afhangen») en «abgehängt» (bij iets fysiek weghalen). Gebruik «haben» als hulpwerkwoord in de voltooide tijden.