conjunction
maar, echter
A1
aber is een nevenschikkend voegwoord en betekent ‘maar’ of ‘echter’. Het verbindt hoofdzinnen zonder de woordvolgorde te veranderen, anders dan bij onderschikkende voegwoorden. Je gebruikt het om tegenstelling uit te drukken. Een komma ervoor is meestal niet verplicht.
Voorbeelden
Das Wetter ist schön, aber es ist kalt.
Het weer is mooi, maar het is koud.
Der Plan war gut, aber das schlechte Wetter verhinderte die Umsetzung, sodass die Veranstaltung verschoben wurde.
Het plan was goed, maar het slechte weer verhinderde de uitvoering ervan, waardoor het evenement werd uitgesteld.
Ich wollte kommen, aber ich war krank.
Ik wilde komen, maar ik was ziek.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee contrasterende ideeën voor met een klein bruggetje met ‘aber’ ertussen
klinkt als Engels ‘aber’ — qua ritme dicht bij ‘but’
n/a
Opmerkingen
‘Aber’ is een nevenschikkend voegwoord en verandert de woordvolgorde niet (het zet de werkwoord niet achteraan).