verb
betalen, tellen
A1
zahlen betekent vooral ‘betalen’ en ook ‘tellen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben in het perfect: ich habe gezahlt. Voltooid deelwoord: gezahlt; verleden tijd: zahlte. Niet-reflexief en niet-scheidbaar. Veelgebruikte combinatie: für etwas zahlen. Vaak in winkels en rekeningen.
Voorbeelden
Kannst du bis zehn zählen?
Kun je tot tien tellen?
Er zahlte bar.
Hij betaalde contant.
Ich zahle die Rechnung.
Ik betaal de rekening.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je geld overhandigt en 'zahlen' zegt in een winkel.
Klinkt als Engels 'tally' — associatie met tellen/betalen
Opmerkingen
'zahlen' betekent meestal «betalen»; in andere contexten kan het ook «tellen» betekenen.