verb
waarschuwen, verwittigen
B1
warnen betekent “waarschuwen” of “op zijn hoede maken” voor gevaar of gevolgen. Het is een zwak, regelmatig werkwoord met haben als hulpwerkwoord; voltooid deelwoord: gewarnt. Niet wederkerend en niet scheidbaar. Vaak met vor + datief.
Voorbeelden
Das Schild warnt vor gefährlichen Steinstürzen.
Het bord waarschuwt voor gevaarlijke steenslag.
Der Polizist warnte die Passanten, damit niemand die Absperrung überquerte.
De politieagent waarschuwde de voorbijgangers zodat niemand de afzetting zou oversteken.
Ich warne dich vor der Gefahr.
Ik waarschuw je voor het gevaar.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een driehoekig waarschuwingsbord voor met het woord «warnen» dat knippert.
Klinkt als het Engelse «warn» — dezelfde wortel.
Opmerkingen
«warnen» is een regelmatig (zwak) werkwoord. In veel contexten wordt «warnen vor» gebruikt met de datief voor datgene waarvoor men waarschuwt (bijv. jemanden vor etwas warnen).