noun
bos, woud
A2
Wald is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘bos’ of ‘woud’. Meervoud onregelmatig: Wälder. Genitief enkelvoud: des Waldes; datief meervoud: den Wäldern. Neutraal en veelgebruikt voor een grotere beboste oppervlakte, in spreektaal én literatuur.
Voorbeelden
Wir gehen im Wald spazieren.
We gaan wandelen in het bos.
Wir gehen am Sonntag in den Wald spazieren.
We gaan zondag wandelen in het bos.
Im Herbst sind die Wälder besonders schön.
De bossen zijn vooral mooi in de herfst.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een grote muur (klinkt als 'Wald') van bomen voor — een bos.
der — stel je 'der' boswachter voor die door het bos patrouilleert.
Opmerkingen
Meervoud: 'Wälder'. Veelgebruikt woord voor beboste gebieden.