vor

preposition
voor, vóór
A1

vor is een voorzetsel met de betekenis ‘voor’ in tijd en ‘voor / vóór’ in de ruimte. Bij vaste ligging staat de datief: vor dem Haus; bij beweging naar een plaats de accusatief: vor das Publikum. Ook veel gebruikt in tijdsuitdrukkingen.

Voorbeelden

Die Polizei sperrte die Straße ab, weil ein Baum vor dem Gebäude fiel.
De politie zette de straat af omdat er een boom voor het gebouw viel.
Ich komme vor dem Unterricht.
Ik kom voor de les.
Das Auto steht vor dem Haus.
De auto staat voor het huis.

Details

Naamvaldative, accusative
Bij een statische positie gebruik je de datief (vor dem Haus). Bij beweging naar een positie (minder vaak) gebruik je de accusatief (Er stellt sich vor das Publikum).

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die voor een deur staat (de persoon is ‘vor’ de deur).
👂Klinkt als het Engelse ‘for’.

Opmerkingen

Het voorzetsel «vor» kan de datief nemen voor plaats (locatie) en de accusatief voor beweging/richting. Het wordt ook gebruikt in tijdsuitdrukkingen (vor zwei Stunden = twee uur geleden / voor twee uur).

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek