preposition
voor, vóór
A1
vor is een voorzetsel met de betekenis ‘voor’ in tijd en ‘voor / vóór’ in de ruimte. Bij vaste ligging staat de datief: vor dem Haus; bij beweging naar een plaats de accusatief: vor das Publikum. Ook veel gebruikt in tijdsuitdrukkingen.
Voorbeelden
Die Polizei sperrte die Straße ab, weil ein Baum vor dem Gebäude fiel.
De politie zette de straat af omdat er een boom voor het gebouw viel.
Ich komme vor dem Unterricht.
Ik kom voor de les.
Das Auto steht vor dem Haus.
De auto staat voor het huis.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die voor een deur staat (de persoon is ‘vor’ de deur).
Klinkt als het Engelse ‘for’.
Opmerkingen
Het voorzetsel «vor» kan de datief nemen voor plaats (locatie) en de accusatief voor beweging/richting. Het wordt ook gebruikt in tijdsuitdrukkingen (vor zwei Stunden = twee uur geleden / voor twee uur).