noun
weg, pad, route
A2
Weg is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Weg, meervoud Wege. Het betekent ‘weg’, ‘pad’ of ‘route’. Verbuiging: des Weges in de genitief, dem Weg in de datief, den Weg in de accusatief. Het meervoud op -e is regelmatig. Ook figuurlijk vaak gebruikt.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Wanderer liefen auf dem Weg, der zum See führte, obwohl der Pfad nach dem Regen rutschig geworden war.
De wandelaars liepen over het pad dat naar het meer leidde, hoewel het pad na de regen glad was geworden.
Der Weg zum Bahnhof ist nicht weit.
De weg naar het station is niet ver.
Der Weg ist lang.
De weg is lang.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een kronkelend pad door een park
klinkt als ‘vague’ — stel je een onduidelijk pad voor
der — stel je een bord ‘der Weg’ voor dat de weg wijst
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud: «Wege». Kan ook figuurlijk worden gebruikt (een manier om iets te doen).