vorbei

adverb
voorbij, voorbijgegaan
A2

vorbei betekent vooral „voorbij”, „over” of „afgelopen”. Met sein: etwas ist vorbei = het is voorbij. Bij beweging gebruik je voorbij aan + datief, in de betekenis „langs iets heen”. Het is een veelgebruikt bijwoord.

Voorbeelden

Die Prüfungszeit ist jetzt vorbei.
De examenperiode is nu voorbij.
Der Sommer ist vorbei, jetzt beginnt der Herbst.
De zomer is voorbij, nu begint de herfst.
Als die Feier vorbei war, räumten die Helfer die Stühle weg, damit der Saal wieder frei wurde.
Toen het feest voorbij was, ruimden de helpers de stoelen weg zodat de zaal weer vrij werd.

Details

Typetemporal

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die langs de finishlijn loopt en die achter zich laat.
👂Denk aan „for-bye” — iets is voorgoed weg.

Opmerkingen

Wordt vaak gebruikt om aan te geven dat een gebeurtenis of periode voorbij is.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek