adverb
voorbij, voorbijgegaan
A2
vorbei betekent vooral „voorbij”, „over” of „afgelopen”. Met sein: etwas ist vorbei = het is voorbij. Bij beweging gebruik je voorbij aan + datief, in de betekenis „langs iets heen”. Het is een veelgebruikt bijwoord.
Voorbeelden
Die Prüfungszeit ist jetzt vorbei.
De examenperiode is nu voorbij.
Der Sommer ist vorbei, jetzt beginnt der Herbst.
De zomer is voorbij, nu begint de herfst.
Als die Feier vorbei war, räumten die Helfer die Stühle weg, damit der Saal wieder frei wurde.
Toen het feest voorbij was, ruimden de helpers de stoelen weg zodat de zaal weer vrij werd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die langs de finishlijn loopt en die achter zich laat.
Denk aan „for-bye” — iets is voorgoed weg.
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt om aan te geven dat een gebeurtenis of periode voorbij is.