Visum

noun
visum
B1

Visum is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Visum, meervoud die Visa. Het betekent een visum, dus een inreis- of verblijfsvergunning. Vaak in de combinatie ein Visum beantragen. Genitief: des Visums. Veelgebruikt in reis- en migratiecontext.

Voorbeelden

Ich brauche ein Visum.
Ik heb een visum nodig.
Für die Reise nach Kanada brauchst du ein Visum.
Voor een reis naar Canada heb je een visum nodig.
Die Studentin hoffte, dass sie das Visum bekäme, weil alle Unterlagen eingereicht wurden.
De studente hoopte dat ze het visum zou krijgen, omdat alle documenten waren ingediend.

Details

MeervoudVisa

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedas Visumdie Visa
genitivedes Visumsder Visa
dativedem Visumden Visa
accusativedas Visumdie Visa

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een paspoort voor met een fel stickertje waarop VISUM staat
👂Klinkt als 'vee-zoom' — stel je een snelle zoom door de paspoortcontrole voor
⚧️das Visum — denk aan 'das' als 'het document' (neutrale voorwerpen/documenten krijgen vaak das)

Opmerkingen

Meervoud meestal «Visa». Formele/juridische term voor reisvergunningen; in sommige contexten kan «Visum» verwijzen naar de visumstempel of de vergunning zelf.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek