noun
visum
B1
Visum is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Visum, meervoud die Visa. Het betekent een visum, dus een inreis- of verblijfsvergunning. Vaak in de combinatie ein Visum beantragen. Genitief: des Visums. Veelgebruikt in reis- en migratiecontext.
Voorbeelden
Ich brauche ein Visum.
Ik heb een visum nodig.
Für die Reise nach Kanada brauchst du ein Visum.
Voor een reis naar Canada heb je een visum nodig.
Die Studentin hoffte, dass sie das Visum bekäme, weil alle Unterlagen eingereicht wurden.
De studente hoopte dat ze het visum zou krijgen, omdat alle documenten waren ingediend.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een paspoort voor met een fel stickertje waarop VISUM staat
Klinkt als 'vee-zoom' — stel je een snelle zoom door de paspoortcontrole voor
das Visum — denk aan 'das' als 'het document' (neutrale voorwerpen/documenten krijgen vaak das)
Opmerkingen
Meervoud meestal «Visa». Formele/juridische term voor reisvergunningen; in sommige contexten kan «Visum» verwijzen naar de visumstempel of de vergunning zelf.