noun
virus
B1
Virus (das Virus, meervoud Viren) betekent een biologisch virus of een computervirus. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Virus. Meervoud: Viren. Verbuiging: dem Virus, des Virus. De betekenis hangt af van de context, medisch of digitaal. Geen speciale prepositie.
Voorbeelden
Der Gesundheitsminister erklärte, dass die Ärzte gegen das Virus neue Schutzmaßnahmen erprobten, bevor die Lage sich verschlechterte.
De minister van Volksgezondheid legde uit dat de artsen nieuwe beschermingsmaatregelen tegen het virus aan het uitproberen waren voordat de situatie verslechterde.
Das ist ein Virus.
Dat is een virus.
Der Arzt erklärte, wie das Virus sich verbreitet.
De arts legde uit hoe het virus zich verspreidt.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein stekelig bolletje voor met het label «VIRUS» onder een microscoop
klinkt als het Engelse «virus» — dezelfde wortel
das Virus — denk aan «das» als onzijdig voor biologische termen zoals «das Bakterium», «das Virus»
Opmerkingen
Hoewel sommige sprekers in de omgangstaal «der Virus» gebruiken, is het standaardgeslacht onzijdig: das Virus. Meervoud meestal: Viren.