verb
veroorzaken, teweegbrengen, aanrichten
B1
verursachen betekent “veroorzaken” of “teweegbrengen”. Het is een zwak, regelmatig werkwoord met haben als hulpwerkwoord; voltooid deelwoord: verursacht. Niet wederkerend en niet scheidbaar. Vaak gebruikt in neutrale of formele contexten over schade, kosten of gevolgen.
Voorbeelden
Der Sturm kann großen Schaden verursachen.
De storm kan grote schade veroorzaken.
Der Unfall verursachte großen Schaden.
Het ongeluk veroorzaakte grote schade.
Der Sturm verursachte erhebliche Schäden, sodass die Straße für zwei Tage gesperrt blieb.
De storm veroorzaakte aanzienlijke schade, waardoor de weg twee dagen afgesloten bleef.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een dominosteen met het label «Ver» voor die de volgende steen met het label «Ursache» (oorzaak) omduwt en zo een kettingreactie start — het veroorzaakt dat de rest valt.
Klinkt een beetje als «very-saw-chen» — stel je een heel sterke kracht voor die iets veroorzaakt.
Opmerkingen
Veelvoorkomende combinatie: «Schaden verursachen» (schade veroorzaken). Wordt vaak gebruikt met abstracte en concrete oorzaken.