treiben

verb
drijven, aandrijven, voortstuwen, aanzetten
B1

treiben is een sterk, onregelmatig werkwoord. Het betekent o.a. ‘drijven’, ‘voortstuwen’, ‘beoefenen’ (Sport treiben = sport beoefenen) of ‘uitoefenen’. In de voltooide tijden met haben. Niet scheidbaar. Klinkerverandering: ei → i, verleden tijd trieb, voltooid deelwoord getrieben.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Er trieb den Ball ins Tor.
Hij schoot de bal in het doel.
Die Strömung treibt das Boot aufs offene Meer.
De stroming drijft de boot de open zee op.
Am Nachmittag trieben die Jugendlichen Sport, damit sie für den Wettkampf fit blieben.
's Middags deden de jongeren aan sport, zodat ze fit bleven voor de wedstrijd.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.AUXILIARYhaben
VOCABULARY.DETAILS.SEPARABLEVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.REGULARVOCABULARY.DETAILS.NO
VOCABULARY.DETAILS.VERB_TYPEstrong
VOCABULARY.DETAILS.STEM_CHANGESStrong verb with vowel change: Präsens 'ei' -> Präteritum 'ie' (trieb).

VOCABULARY.DETAILS.PRINCIPAL_FORMS

Präsens (3. Sg.)er/sie/es treibt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es trieb
Perfekter/sie/es hat getrieben

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je wind voor die bladeren over het water ‘drijft’ en een boot voortduwt.
👂Klinkt als het Engelse «drive» in de betekenis van drijvende kracht (treiben/driving force).

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

«treiben» heeft meerdere betekenissen (drijven, voortstuwen, veroorzaken, drijven op water). De context bepaalt de betekenis.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS

ichtreibe
dutreibst
er/sie/estreibt
wirtreiben
ihrtreibt
sie/Sietreiben
ichwerde getrieben
duwirst getrieben
er/sie/eswird getrieben
wirwerden getrieben
ihrwerdet getrieben
sie/Siewerden getrieben
ichtreibe
dutreibest
er/sie/estreibe
wirtreiben
ihrtreibet
sie/Sietreiben
ichwerde getrieben
duwerdest getrieben
er/sie/eswerde getrieben
wirwerden getrieben
ihrwerdet getrieben
sie/Siewerden getrieben
ichtriebe
dutriebest
er/sie/estriebe
wirtrieben
ihrtrietet
sie/Sietrieben
ichwürde getrieben
duwürdest getrieben
er/sie/eswürde getrieben
wirwürden getrieben
ihrwürdet getrieben
sie/Siewürden getrieben
dutreib!
ihrtreibt!
SieTreiben!