verb
drijven, aandrijven, voortstuwen, aanzetten
B1
treiben is een sterk, onregelmatig werkwoord. Het betekent o.a. ‘drijven’, ‘voortstuwen’, ‘beoefenen’ (Sport treiben = sport beoefenen) of ‘uitoefenen’. In de voltooide tijden met haben. Niet scheidbaar. Klinkerverandering: ei → i, verleden tijd trieb, voltooid deelwoord getrieben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er trieb den Ball ins Tor.
Hij schoot de bal in het doel.
Die Strömung treibt das Boot aufs offene Meer.
De stroming drijft de boot de open zee op.
Am Nachmittag trieben die Jugendlichen Sport, damit sie für den Wettkampf fit blieben.
's Middags deden de jongeren aan sport, zodat ze fit bleven voor de wedstrijd.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je wind voor die bladeren over het water ‘drijft’ en een boot voortduwt.
Klinkt als het Engelse «drive» in de betekenis van drijvende kracht (treiben/driving force).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
«treiben» heeft meerdere betekenissen (drijven, voortstuwen, veroorzaken, drijven op water). De context bepaalt de betekenis.