verb
stromen, vloeien, lopen
B1
fließen is een sterk, onovergankelijk werkwoord en betekent „stromen”, „vloeien” of „lopen” (van vloeistof). Het wordt ook figuurlijk gebruikt. Voltooid deelwoord: geflossen. Perfect met sein. Vormen: fließt – floss – geflossen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Das Wasser fließt in den Fluss.
Het water stroomt de rivier in.
Der Fluss floss langsam.
De rivier stroomde langzaam.
Das Wasser fließt schnell den Berg hinunter.
Het water stroomt snel de berg af.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je water voor dat soepel over stenen in een beek glijdt — de beweging is continu, „fließen”.
Denk aan Engels „flow” — „fließen” begint met hetzelfde idee: vloeistoffen die soepel bewegen.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing (geen lijdend voorwerp om in de lijdende vorm te zetten). Gebruikt „sein” als hulpwerkwoord in de voltooide tijden (ist geflossen). Konjunktiv I Präteritum: niet van toepassing — Konjunktiv I wordt gevormd uit de tegenwoordige vormen en het verleden wordt meestal omschrijvend uitgedrukt (Perfekt).