verb
doorbrengen, besteden, verblijven
B1
verbringen betekent ‘doorbrengen’ of ‘besteden’, vooral in verband met tijd. Het vormt het perfekt met haben: verbrachte, verbracht. Niet-scheidbaar en niet-reflexief. Vaak met een lijdend voorwerp zoals Zeit en met mit + datief voor gezelschap: Zeit mit jemandem verbringen.
Voorbeelden
Er verbrachte den Urlaub am Meer.
Hij bracht zijn vakantie aan zee door.
Sie haben zu viel Zeit im Internet verbracht.
Je hebt te veel tijd op internet doorgebracht.
Ich habe den ganzen Tag im Bett verbracht.
Ik heb de hele dag in bed doorgebracht.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een persoon voor die een klok een kamer in draagt — hij «brengt» tijd naar die plek.
Klinkt als «ver-bring-en» — stel je voor dat je tijd met je meebrengt.
N/A
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt met tijdsaanduidingen (Zeit) en locaties. Voltooid deelwoord: verbracht.