adverb
onderweg, op weg, onderweg zijn
A2
unterwegs is een bijwoord en betekent ‘onderweg’ of ‘op weg’. Het geeft aan dat iemand reist, zich verplaatst of niet thuis is. Het woord is onveranderlijk. Vaak met sein: Ich bin unterwegs. Er hoort geen vaste prepositie bij. Heel gebruikelijk in alledaagse taal.
Voorbeelden
Die Familie fuhr weiter, obwohl sie unterwegs einen platten Reifen bemerkten.
Het gezin reed verder, hoewel ze onderweg een lekke band opmerkten.
Unterwegs habe ich viele Fotos gemacht.
Onderweg heb ik veel foto's gemaakt.
Ich bin gerade unterwegs und kann nicht lange sprechen.
Ik ben nu onderweg en kan niet lang praten.
Details
Ezelsbruggetjes
een persoon die over een weg loopt met een bordje 'unterwegs'
unterwegs ~ 'under-ways' -> onder de wegen: in beweging
Opmerkingen
Bijwoord met de betekenis «tijdens het reizen» of «op weg». Veelgebruikt in alledaagse taal.