verb
oefenen, trainen, praktiseren
A2
üben betekent vooral ‘oefenen’, ‘trainen’ of ‘in de praktijk brengen’, bijvoorbeeld bij muziek, taal of sport. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben in het perfekt: geübt. Niet scheidbaar en niet wederkerig. Imperatief: übe!/übt!/üben!.
Voorbeelden
Sie üben die Szene für das Theaterstück.
Ze repeteren de scène voor het toneelstuk.
Ich habe viel geübt.
Ik heb veel geoefend.
Ich übe Deutsch.
Ik oefen Duits.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een muzikant voor die een passage herhaalt om te oefenen.
üben ~ 'oo-ben' — denk aan oefenen.
niet van toepassing