Typ

noun
type, kerel, gast
B1

Typ, mannelijk, betekent vooral ‘type/soort’ van een persoon of ding, en in de omgangstaal ook ‘kerel, vent’. Meervoud: Typen. Genitief enkelvoud: des Typs. Het woord is heel gebruikelijk en kan, afhankelijk van de context, neutraal of wat denigrerend klinken.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Er ist ein netter Typ.
Hij is een aardige vent.
Die Nachbarin beschrieb den Typen, den man gestern in der Nähe des Parks sah.
De buurvrouw beschreef de kerel die men gisteren in de buurt van het park zag.
So ein Typ würde das nicht machen.
Zo iemand zou dat niet doen.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALTypen

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Typdie Typen
genitivedes Typsder Typen
dativedem Typden Typen
accusativeden Typdie Typen

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👂Klinkt als Engels «type» — denk aan een soort persoon.
⚧️der = mannelijk lidwoord; stel je een man voor wanneer je «Typ» hoort om «der Typ» te onthouden

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Typ wordt in het gesproken Duits vaak informeel gebruikt om naar een persoon te verwijzen. Het meervoud kan «Typen» zijn of in de spreektaal «Typen».

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS