verb
wandelen, een wandeling maken, slenteren
A2
spazieren is een regelmatig zwak werkwoord en betekent ‘wandelen’, ‘slenteren’ of ‘een wandeling maken’. Voltooid deelwoord: spaziert; als hoofdwerkwoord gebruikt het sein: ich bin spaziert. Heel vaak in de combinatie spazieren gehen.
Voorbeelden
Er ist im Wald spazieren gegangen.
Hij is gaan wandelen in het bos.
Ich spaziere im Park.
Ik wandel in het park.
Er spazierte langsam durch den Park.
Hij wandelde langzaam door het park.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een rustig park voor met mensen die samen een ontspannen wandeling maken.
Klinkt als «spa-zeer-en» — stel je voor dat je door een spa wandelt.
Opmerkingen
Intransitief werkwoord, vaak gebruikt met «gehen» (spazieren gehen). Wordt meestal geassocieerd met wandelen voor het plezier. In veel contexten wordt het perfect gevormd met «sein» (ist spaziert / ist spazieren gegangen in combinatie met «gehen»). | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.