spazieren

verb
wandelen, een wandeling maken, slenteren
A2

spazieren is een regelmatig zwak werkwoord en betekent ‘wandelen’, ‘slenteren’ of ‘een wandeling maken’. Voltooid deelwoord: spaziert; als hoofdwerkwoord gebruikt het sein: ich bin spaziert. Heel vaak in de combinatie spazieren gehen.

Voorbeelden

Er ist im Wald spazieren gegangen.
Hij is gaan wandelen in het bos.
Ich spaziere im Park.
Ik wandel in het park.
Er spazierte langsam durch den Park.
Hij wandelde langzaam door het park.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarNee
RegelmatigJa
Werkwoordtypeweak

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es spaziert
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es spazierte
Perfekter/sie/es ist spaziert

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een rustig park voor met mensen die samen een ontspannen wandeling maken.
👂Klinkt als «spa-zeer-en» — stel je voor dat je door een spa wandelt.

Opmerkingen

Intransitief werkwoord, vaak gebruikt met «gehen» (spazieren gehen). Wordt meestal geassocieerd met wandelen voor het plezier. In veel contexten wordt het perfect gevormd met «sein» (ist spaziert / ist spazieren gegangen in combinatie met «gehen»). | Intransitief werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek

ichspaziere
duspazierst
er/sie/esspaziert
wirspazieren
ihrspaziert
sie/Siespazieren
ichspaziere
duspazierest
er/sie/esspaziere
wirspazieren
ihrspazieret
sie/Siespazieren
ichspazierte
duspaziertest
er/sie/esspazierte
wirspazierten
ihrspaziertet
sie/Siespazierten
duSpaziere!
ihrSpaziert!
SieSpazieren!