Spaß

noun
plezier, vermaak
A2

Der Spaß is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘plezier’, ‘lol’ of ‘vermaak’. Veelgebruikte combinaties: Spaß haben, Spaß an etwas haben (met datief) en etwas macht Spaß. Meervoud: Späße. Heel gangbaar in de spreektaal.

Voorbeelden

Weil die Kollegen Zeit hatten, arbeiteten sie nicht und machten nur zum Spaß ein kleines Turnier, das allen gefiel.
Omdat de collega’s tijd hadden, werkten ze niet en organiseerden ze gewoon voor de lol een klein toernooi dat iedereen leuk vond.
Die Vorstellung war eine große Quelle von Spaß und Freude.
De voorstelling was een grote bron van plezier en vreugde.
Wir hatten viel Spaß beim Spielen.
We hebben veel plezier gehad met spelen.

Details

MeervoudSpäße

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Spaßdie Späße
genitivedes Spaßesder Späße
dativedem Spaßden Späßen
accusativeden Spaßdie Späße

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je mensen voor die lachen op een feest met het label 'Spaß'.
⚧️der - denk aan een mannelijke vriend die lacht (mannelijk 'der')

Opmerkingen

De alternatieve spelling 'Spass' (met dubbele s) is gebruikelijk in contexten waarin ß niet wordt gebruikt. Gebruik 'Spaß' als standaardspelling. Zowel enkelvoud als incidenteel meervoud komen voor, afhankelijk van de context.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek