adjective
zuinig, spaarzaam, economisch
B1
sparsam is een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis ‘zuinig, spaarzaam, economisch’. Vergelijking: sparsamer; overtreffende trap: am sparsamsten. Het wordt attributief, predicatief en ook adverbiaal gebruikt, bv. sparsam leben. Tegenovergestelde: verschwenderisch.
Voorbeelden
Das neue Auto ist sparsam im Verbrauch.
De nieuwe auto is zuinig in verbruik.
Obwohl die Haushälterin sehr sparsam war, kaufte die Familie neue Möbel, weil das alte Sofa kaputtging.
Hoewel de huishoudster erg zuinig was, kocht het gezin nieuwe meubels omdat de oude bank kapotging.
Meine Großmutter ist sehr sparsam und kauft nur, was sie braucht.
Mijn grootmoeder is erg zuinig en koopt alleen wat ze nodig heeft.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een spaarpot voor waarin iemand zorgvuldig elk muntje stopt om geld te besparen.
Denk aan «spare» of «savings» — iemand die geld spaart is zuinig.
Opmerkingen
Wordt zowel voor mensen (zuinig) als voor dingen (economisch, bv. zuinig in brandstofverbruik) gebruikt. Niet hetzelfde als «geizig» (gierig), dat een negatieve bijklank heeft.