adjective
zonnig
A2
Bijvoeglijk naamwoord met de betekenis ‘zonnig’. Vergelijking: sonniger, am sonnigsten. Gebruik je voor het weer, de lucht of iemands stemming. Gewone adjectiefverbuiging; attributief, predicatief en adverbiaal bruikbaar. Veel voorkomend in weerberichten.
Voorbeelden
Weil das Wochenende sonnig war, machten die Familien einen langen Ausflug, der allen gefiel.
Omdat het weekend zonnig was, maakten de families een lange uitstap die iedereen leuk vond.
Morgen wird es sonnig und warm.
Morgen wordt het zonnig en warm.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een felle zon met stralen voor en het woord 'sonnig' eronder.
Klinkt als 'sonny' — denk aan een zonnige dag om 'sonnig' te onthouden.
Opmerkingen
Veelvoorkomend bijvoeglijk naamwoord voor weersbeschrijvingen.