verb
horen, luisteren
A1
hören is een regelmatig zwak werkwoord. Belangrijkste betekenissen: „horen” en „luisteren”. Voltooid deelwoord: gehört; hulpwerkwoord: haben. Niet-scheidbaar en niet-reflexief. In de uitdrukking auf jemanden hören betekent het ook „naar iemand luisteren” of „iemand gehoorzamen”.
Voorbeelden
Ich habe die Nachrichten gehört.
Ik heb het nieuws gehoord.
Ich höre Musik.
Ik luister naar muziek.
Er hört dem Lehrer aufmerksam zu.
Hij luistert aandachtig naar de leraar.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je voor dat je je oor naar voren buigt om een geluid te «hören»
klinkt als Engels «hear» / «hear in» — associeer met horen