Sitz

noun
zitplaats, zetel, plaats
B1

Sitz betekent ‘zitplaats’, ‘stoel’ of figuurlijk ‘zetel/standplaats’ van een instelling. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Sitz; meervoud: die Sitze. Genitief enkelvoud: des Sitzes. Veel gebruikt in samenstellingen en uitdrukkingen als einen Sitz haben of den Sitz verlieren.

VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES

Der Sitz der Firma befindet sich in Berlin.
Het hoofdkantoor van het bedrijf bevindt zich in Berlijn.
Er hat einen wichtigen Sitz im Aufsichtsrat übernommen.
Hij heeft een belangrijke zetel in de raad van toezicht ingenomen.
Bitte nehmen Sie Platz; Ihr Sitz ist in der dritten Reihe.
Neem alstublieft plaats; uw stoel is op de derde rij.

VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL

VOCABULARY.DETAILS.PLURALSitze

VOCABULARY.DETAILS.DECLENSION

VOCABULARY.DETAILS.CASEVOCABULARY.DETAILS.SINGULARVOCABULARY.DETAILS.PLURAL
nominativeder Sitzdie Sitze
genitivedes Sitzesder Sitze
dativedem Sitzden Sitzen
accusativeden Sitzdie Sitze

VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS

👁️Stel je een stoel voor met een groot label „Sitz” erop.
👂Klinkt een beetje als het Engelse „sit” — denk aan zitten.
⚧️der Sitz — onthoud „der” zoals bij andere mannelijke meubelwoorden (der Tisch, der Stuhl).

VOCABULARY.DETAILS.NOTES

Veelvoorkomend zelfstandig naamwoord voor een fysieke zitplaats of een officiële functie/zetel. Het meervoud is regelmatig: „Sitze”.

VOCABULARY.DETAILS.CATEGORY

VOCABULARY.DETAILS.VOCABULARY_EXPLORER

VOCABULARY.DETAILS.NEARBY_WORDS