noun
ski, ski’s
B1
Ski is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent één ski of, in het meervoud, de skispullen. Standaardmeervoud: Skier; genitief enkelvoud: des Skis; datief meervoud: den Skiern. In de spreektaal hoor je ook Skis, maar Skier is de standaardvorm.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Meine Skier sind nach dem Transport beschädigt worden.
Mijn ski's zijn tijdens het transport beschadigd geraakt.
Die Wintersportler banden die Ski an, als der frische Schnee am Morgen fiel.
De wintersporters bonden de ski's aan toen 's ochtends de verse sneeuw viel.
Im Winter fahre ich gerne Ski in den Alpen.
In de winter ga ik graag skiën in de Alpen.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je twee lange smalle planken voor met het label ‘Ski’, tegen een lodge geleund.
identiek aan het Engelse ‘ski’ — hetzelfde woord
der Ski — zoals ander mannelijk sportmateriaal (der Ball, der Helm)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Er zijn varianten voor het meervoud (‘Ski’, ‘Skier’); ‘Skier’ is gebruikelijk in het Duits als meervoud. Het lemma kan in sommige regionale gebruiken ook als ‘Schi’ voorkomen.