verb
doen, verrichten
A1
tun is een sterk werkwoord en betekent ‘doen’ of ‘verrichten’. Präteritum: tat; voltooid deelwoord: getan; hulpwerkwoord: haben. Het is niet scheidbaar en niet wederkerig. In de spreektaal is het heel frequent en vaak algemeen van betekenis. Imperatief enkelvoud: tu.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er tat, was er konnte.
Hij deed wat hij kon.
Was soll ich tun?
Wat moet ik doen?
Der Mechaniker tat alles, was nötig war, obwohl das Ersatzteil fehlte.
De monteur deed alles wat nodig was, hoewel het reserveonderdeel ontbrak.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je iemand voor die een taak uitvoert met het label ‘tun’.
Klinkt als Engels ‘toon’ — denk aan ‘to do’.
N/A
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Vaak gebruikt werkwoord, in veel contexten vervangen door specifiekere werkwoorden (machen). Verleden tijd: «tat», voltooid deelwoord: «getan».