noun
deur, binnenpoort, toegang
A2
Tür is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord en betekent ‘deur’. Meervoud: Türen. Verbuiging: die Tür, der Tür, der Tür, die Türen. In het meervoud komt een umlaut voor. Heel alledaags woord, ook vaak in samenstellingen zoals Haustür (‘voordeur’).
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Bitte schließe die Tür, es zieht.
Doe alsjeblieft de deur dicht, het tocht.
Der Nachbar sah den Einbrecher, als dieser die Tür nicht leise schloss, sodass er die Polizei rief.
De buurman zag de inbreker toen die de deur niet zachtjes sloot, dus belde hij de politie.
Die Tür ist offen, kannst du sie schließen?
De deur staat open, kun je hem sluiten?
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een hoge deur voor met een grote ‘T’ erop geschilderd
die Tür — denk aan ‘die’ als ‘de deur is een dame’ (vrouwelijk)
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud is «Türen». Umlaut in het meervoud: Tür → Türen.