noun
sieraden, juwelen, juwelierswerk
B1
Schmuck is een mannelijk zelfstandig naamwoord en betekent „sieraden” of „versiering”. Genitief: des Schmucks. Vaak wordt het als verzamelnaam gebruikt zonder meervoud; voor losse stukken zegt men Schmuckstücke. Veel gebruikt in mode- en decoratieve context.
Voorbeelden
Sie schenkte ihr viel Schmuck zum Geburtstag.
Ze gaf haar veel sieraden voor haar verjaardag.
Sie verkaufte alten Schmuck auf dem Flohmarkt, weil sie Platz im Schrank brauchte.
Ze verkocht oude sieraden op de rommelmarkt omdat ze ruimte in de kast nodig had.
Sie trägt teuren Schmuck aus Gold und Diamanten.
Ze draagt dure sieraden van goud en diamanten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een ketting en ring voor die glinsteren; ‘Schmuck’ = glanzende voorwerpen.
Klinkt als ‘smuck’ — stel je glanzende snuisterijen voor waardoor je ‘smuck!’ zegt.
der — onthoud ‘der Schmuck’ zoals ‘der Ring’ (mannelijke woorden voor voorwerpen).
Opmerkingen
Vaak gebruikt als een niet-telbaar verzamelwoord voor sieraden in het algemeen; afzonderlijke stukken kunnen ‘das Schmuckstück’ zijn. | Alleen enkelvoud; meervoudsvormen zijn niet van toepassing.