noun
tour, reis, rondreis
A2
Tour, vrouwelijk, betekent ‘tour’, ‘uitstapje’ of ‘tocht’, bijvoorbeeld een stadsrondleiding of fietstocht. Meervoud: Touren. Het woord komt vaak voor in samenstellingen. Veelgebruikte uitdrukking: auf Tour sein (‘onderweg zijn / op pad zijn’).
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Die Gruppe begann die Tour, obwohl das Wetter schlechter geworden war.
De groep begon aan de tour, hoewel het weer slechter was geworden.
Die Tour beginnt um neun Uhr.
De rondleiding begint om negen uur.
Wir machen eine Tour durch die Stadt.
We maken een rondrit door de stad.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een toeristenbus voor met het bordje «TOUR».
hetzelfde als Engels «tour».
die = vrouwelijk: stel je een vrouwelijke gids voor die de tour leidt.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Meervoud: «Touren».